UMCG zet vrouwengezondheid centraal: ‘Zorg moet passender’

Een beroerte die anders verloopt. Medicatie die niet goed werkt of meer bijwerkingen geeft. Mentale klachten die samenhangen met hormonale veranderingen. Mannen en vrouwen verschillen van elkaar, maar lange tijd was de man de standaard in medisch wetenschappelijk onderzoek. Daardoor weten we nog altijd te weinig over wat de beste zorg voor vrouwen is.

Dat moet anders. Daarom staat van 15 tot en met 18 juni de Week van de Vrouwengezondheid op het programma. Met lezingen, workshops en bijeenkomsten laat het UMCG zien hoe onderzoek, onderwijs en patiëntenzorg samenkomen in één gezamenlijke ambitie: betere, meer passende zorg voor iedereen. Dus ook voor vrouwen. 

Van niche naar speerpunt 

Waar vrouwengezondheid enkele jaren geleden nog een onderwerp was waar een kleine groep onderzoekers zich mee bezighield, groeit het inmiddels uit tot een belangrijk thema binnen de gezondheidszorg. Ook binnen het UMCG. 

‘Toen ik zeven jaar geleden als onderzoeker in het UMCG begon, werd vrouwengezondheid nog vaak gezien als een niche’, zegt Aranka Ballering. ‘Inmiddels zien we dat de aandacht vanuit onderzoekers, zorgprofessionals, studenten, subsidieverstrekkers en ook de samenleving snel groeit.’ 

En dat is volgens haar terecht. In haar eigen onderzoek ontdekte Ballering dat mannen en vrouwen die met dezelfde klachten bij de huisarts komen, niet altijd dezelfde zorg krijgen. Zij pleit daarom voor genderspecifieke zorg: zorg die rekening houdt met de verschillen tussen mannen en vrouwen. 

Meer gezonde jaren voor iedereen 

Hoewel vrouwen gemiddeld ouder worden dan mannen, leven zij minder jaren in goede gezondheid. De huidige zorg voor vrouwen is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek met mannen. Daardoor worden klachten bij vrouwen soms later herkend, zijn behandelingen minder effectief en komen bijwerkingen vaker voor. Dat heeft impact. Op vrouwen zelf én op de samenleving. 

‘We zien dat mentale klachten de grootste oorzaak zijn van langdurig werkverzuim bij vrouwen: 47,5 procent van uitval onder vrouwen, tegenover 34 procent bij mannen’, vertellen klinisch epidemioloog Lilian Peters en psychiater Iris Sommer.  

Hormonale en sociale veranderingen leiden regelmatig tot klachten, verminderde productiviteit en verhoogde uitval van vrouwen.

Twee levensfasen springen er daarbij volgens hun in het bijzonder uit: de periode na de geboorte van het eerste kind en de overgang. ‘Hormonale en sociale veranderingen leiden dan regelmatig tot klachten, verminderde productiviteit en verhoogde uitval. Veel vrouwen werken bovendien in sectoren waar personeelstekorten groot zijn, zoals de zorg en het onderwijs. De vraag is daarom: hoe kunnen we ervoor zorgen dat vrouwen gezond en vitaal blijven?’ 

Nieuwe inzichten door FemHealthData 

Op die vraag wil Peters de komende jaren antwoord geven met FemHealthData. Deze databank omvat de gegevens van 108.000 geanonimiseerde patiëntendossiers van vrouwen tussen de 18 en 55 jaar, waarvan een kwart een bevalling heeft doorgemaakt. ‘Dit vormt de basis voor onderzoek naar de fysieke, mentale en seksuele gezondheid van vrouwen op de lange termijn’, zegt Peters. 

De kracht van FemHealthData zit in de combinatie van verschillende gezondheidsgegevens. Naast huisartsgegevens bevat de databank ook gegevens uit langlopende onderzoeken bevolkingsonderzoeken, zoals Lifelines Vrouwenzaken, en informatie uit vragenlijsten over de ervaringen van vrouwen zelf. 

Daarnaast kunnen onderzoekers de data koppelen aan andere informatie, zoals gegevens over werkverzuim en zorgkosten. ‘Hiermee hebben we een schat aan informatie beschikbaar om meer kennis op te doen over de gezondheid van vrouwen’, zegt Peters. ‘Die kennis helpt ons om beleid, richtlijnen en zorg beter te onderbouwen.’ 

Onderzoek over de volle breedte 

Het UMCG wil de kennisachterstand op het gebied van vrouwengezondheid verkleinen. Dat gebeurt met onderzoek binnen uiteenlopende vakgebieden, van psychiatrie en neurologie tot cardiologie en farmacologie. 

Apotheker Eline Bosch vertelt over haar onderzoek naar antidepressiva.

 

Iris Sommer onderzoekt samen met haar team hoe hormonale veranderingen gedurende het leven invloed hebben op mentale gezondheid. Vrouwen hebben vaker te maken met depressie en angststoornissen dan mannen, terwijl menstruatie, zwangerschap, de periode na de bevalling en de overgang het beloop van psychische klachten kunnen beïnvloeden. In haar onderzoek liet Sommer zien dat vrouwen soms baat hebben bij een andere behandeling dan mannen, bijvoorbeeld bij de behandeling van een psychose. Dat kan gaan om een aangepaste dosering van medicatie, maar ook om een ander geneesmiddel. 

Ook cardioloog Bernadet Santema onderzoekt hoe zorg beter kan aansluiten bij vrouwen. Zij richt zich op hartfalen, een aandoening die bij vrouwen deels door andere factoren ontstaat dan bij mannen. Uit haar onderzoek blijkt dat medicijnen voor hartfalen bij vrouwen mogelijk lager gedoseerd kunnen worden dan nu vaak gebeurt. 

En neuroloog Marieke Wermer onderzoekt de verschillen tussen mannen en vrouwen bij beroertes. Zij liet zien dat een beroerte zich bij vrouwen soms anders uit dan bij mannen, waardoor signalen minder snel worden herkend. Ook hebben vrouwen andere risicofactoren voor een beroerte. Meer kennis hierover kan helpen om vrouwen met een verhoogd risico eerder op te sporen en te behandelen. 

Nieuw onderzoek 

Om nieuw onderzoek verder te stimuleren stelde het UMCG vorig jaar speciale seed grants beschikbaar. Daarmee krijgen onderzoekers de ruimte om nieuwe vragen rond vrouwengezondheid te verkennen. Zo wordt onder meer gekeken naar implantaten die beter aansluiten op de anatomie van vrouwen, mentale gezondheid tijdens de overgang, sekseverschillen in medicijngebruik en de relatie tussen endometriose en aandoeningen van het immuunsysteem. 

Onderzoekers Danielle van Veldhuizen en Nick Assink over hun onderzoek naar beter passende heupimplantaten voor vrouwen.

 

Van onderzoek naar impact 

De kennis die onderzoekers opdoen moet uiteindelijk terechtkomen waar het er echt toe doet: in de spreekkamer en in de opleidingen tot zorgprofessional. 

Een voorbeeld daarvan is PETRA, een digitaal menstruatiedagboek waarmee patiënten dagelijks klachten kunnen bijhouden. Zorgverleners krijgen zo beter inzicht in de relatie tussen de menstruatiecyclus en lichamelijke of mentale klachten en kunnen behandelingen beter afstemmen op de individuele patiënt. 

Ook in de opleiding Geneeskunde wordt er gekeken hoe man-vrouw verschillen nu al terugkomen en hoe dit nog structureler gedaan kan worden. Op deze manier leren studenten niet alleen dat mannen en vrouwen kunnen verschillen in ziektebeelden en behandeling, maar ook hoe zij die kennis kunnen toepassen in hun toekomstige werk. 

De Week van de Vrouwengezondheid brengt veel UMCG-initiatieven samen. Zo kunnen UMCG-medewerkers en studenten kennismaken met lopende onderzoeken en praktische initiatieven zoals het PETRA menstruatiedagboek. Ook is er een bijeenkomst van BOEM: dit UMCG-initiatief maakt de overgang bespreekbaar en draagt bij aan het duurzaam inzetbaar houden van medewerkers.