‘Moet je dan altijd zo’n wit pakje aan?’ De vraag zorgt meteen voor gegniffel in de klas. Marlijn Besten lacht. Nee, legt ze uit, niet alle onderzoekers lopen in een laboratoriumjas rond. Ze vertelt kort wie ze is, wat haar hobby’s zijn en waarom ze onderzoek doet. Het ijs is gebroken.
Basketbal, vogels en brandalarm
Marlijn is geïnteresseerd in gedachten en mentale gezondheid. Ze onderzoekt of technieken mensen kunnen helpen om anders te denken, en of je daarmee psychische problemen zoals depressie kunt voorkomen. Maar in de klas begint ze bij iets heel herkenbaars. ‘Denken jullie wel eens aan andere dingen terwijl je met iets bezig bent?’ De handen schieten omhoog.
Een jongen vertelt hoe hij tijdens basketbal nog nadacht over de vorige oefening, terwijl de coach alweer verderging met uitleg. Daardoor miste hij wat hij daarna moest doen. Een meisje zegt dat ze tijdens de taalles bleef hangen bij iets wat eerder was gezegd. Iemand anders keek uit het raam naar vogels. En weer een ander dacht ineens: ‘Wat als de school nu opeens in brand vliegt?’
Marlijn knikt. Dat soort afdwalende gedachten heeft iedereen, zegt ze. Regelmatig zelfs: ongeveer de helft van de tijd dat we wakker zijn. Ook dagdromen horen daarbij. Als er een slide verschijnt over positieve en negatieve gedachten, wordt er weer gegiecheld. De presentatie staat vol kleurrijke plaatjes.
Kun je gedachten veranderen?
Dan stelt Marlijn een nieuwe vraag: kunnen we die gedachten ook sturen? De klas denkt hardop mee. Positief blijven, zegt iemand. ‘Het komt goed’ tegen jezelf zeggen. Met iemand praten. Afleiding zoeken.
Op het scherm verschijnt een enorme close-up van een rozijn, vol rimpeltjes. Marlijn vraagt de kinderen om er heel aandachtig naar te kijken. Daarna legt ze uit dat focussen op je ademhaling, op iets leuks, op wat je ziet, kan helpen om je gedachten te verplaatsen.
Maar: hoe meet je zoiets? ‘Hoe weet een onderzoeker wat er in je hoofd gebeurt?’ vraagt Marlijn. ‘Een plan maken,’ roept een leerling. ‘Of iemand hebben die je kan meten!’ Dat laatste komt in de buurt, zegt Marlijn. In haar eigen onderzoek combineert ze het uitvragen van gedachten met het meten van signalen uit het lichaam, zoals hartslagmetingen en metingen van de hersenactiviteit. Voor dat laatste dragen proefpersonen een soort badmuts met sensoren, vertelt ze, en krijgen ze taken waarbij hun gedachten expres mogen afdwalen.
Springen en weer tot rust komen
Tijd voor actie. De kinderen mogen zelf hun hartslag meten. Eerst moeten ze springen. Daarna tellen ze het aantal slagen aan hun pols. ‘Ik heb er veertien!’ ‘Ik acht!’
Marlijn legt uit dat onderzoekers willen kijken of er iets verandert als ze een experiment doen, dus dat ze dingen altijd meerdere keren meten. Daarom doen ze het straks opnieuw. Na het springen gaan de kinderen op de grond zitten. Even stil. Ogen dicht of naar de vloer. Aandacht bij de ademhaling. Daarna opnieuw tellen. De meeste kinderen merken het meteen: hun hartslag is lager geworden. Zo, zegt Marlijn, kun je kijken wat een oefening doet met je lichaam.
Waarom is dit onderzoek belangrijk?
Marlijn wil mentale problemen bespreekbaar maken en kinderen laten zien hoe wetenschap werkt. ‘Als je al jong leert dat iedereen weleens worstelt met gedachten, en dat je daar iets aan kunt doen, helpt dat hopelijk later,’ zegt ze. ‘En ik vind het belangrijk dat kinderen snappen dat onderzoek niet iets abstracts is, maar iets wat over henzelf kan gaan.’
Ze verzorgt de lessen via de Scholierenacademie van de Rijksuniversiteit Groningen. Bij het opzetten van deze les kreeg ze hulp van iemand die de Pabo heeft gedaan, die meedacht over hoe je complexe onderwerpen begrijpelijk en leuk maakt voor basisschoolleerlingen. ‘Wat ik vooral heb geleerd: probeer niet alles tegelijk te vertellen. Kies één duidelijke boodschap en zorg voor veel interactie.’
Wat vonden de kinderen?
Na afloop blijkt die boodschap te zijn blijven hangen. Als de klas wordt gevraagd wat ze hebben geleerd, noemen de leerlingen meteen dat je bij onderzoek dingen twee keer moet meten en dat niet alle onderzoekers in een laboratoriumjas werken. Ook de inhoud van de les komt terug. Een leerling vertelt dat haar vader elke dag mediteert. Een ander herhaalt dat je rustiger kunt worden door op je ademhaling te letten.
Wat neemt de onderzoeker mee?
Voor Marlijn zelf was de les minstens zo leerzaam. ‘Je moet echt anders vertellen dan aan collega-wetenschappers,’ zegt ze. ‘Kinderen dwingen je om heel scherp te zijn: wat wil ik nu eigenlijk dat ze onthouden?’ Dat ze met zoveel nieuwsgierige vragen werd bestookt over witte jasjes, dagdromen en hartslagen ziet ze als een goed teken. 'Soms borduurt de docent ook nog verder op mijn les', vertelt Marlijn. 'Dan wordt in de dagen daarna verder gesproken over gedachten, concentratie en ontspanning.'