In haar vorige leven schaatste ze en dat deed ze niet onverdienstelijk. Ze behoorde tot de subtop en deed mee aan nationale kampioenschappen, maar de internationale top, die bereikte ze niet. Marije Elferink-Gemser kan nu, in haar huidige leven als bewegingswetenschapper, haarfijn aanwijzen waar het bij haar aan schortte: ‘Goede timing is cruciaal. Je moet precies op het goede moment afzetten om zoveel mogelijk snelheid te ontwikkelen. Tijdens wedstrijden moet dat automatisch gaan: je moet niet denken, maar doen. Daar had ik moeite mee.’
Beter presteren
Talentherkenning en talentontwikkeling zijn al ruim vijfentwintig jaar een belangrijk onderzoeksthema bij Bewegingswetenschappen. Sinds 2008 doet Elferink-Gemser samen met de KNSB onderzoek onder schaatstalenten. Ze volgt hen langdurig, van hun twaalfde tot hun twintigste, en meet twee keer per jaar onder meer hun fysieke, technische en mentale ontwikkeling en hun wedstrijdindeling.
Data analyseren
‘Door al die data te analyseren, kunnen we de ontwikkeling van talenten vergelijken met die van schaatsers die de top hebben bereikt’, zegt Elferink-Gemser. ‘De sporters hebben zelf ook inzicht in de resultaten en zien waar ze vooruitgang boeken en waar verbetering mogelijk is.’
‘Op je veertiende de beste zijn, betekent niet per se dat je later topsporter wordt.’
De goede hoeken
Schaatsen is bij uitstek een technische sport die vooral draait om drie optimale hoeken: de afzethoek, de kniehoek en de romphoek. ‘De afzethoek is de hoek waarin je je schaats afzet van het ijs’, legt Elferink-Gemser uit. ‘Daarmee creëer je je snelheid. Bij de goede kniehoek gaat het erom dat je zo diep mogelijk zit. En een goede romphoek, waarbij het bovenlichaam vooroverbuigt, zorgt voor zo weinig mogelijk luchtweerstand. Heb je eenmaal de goede techniek te pakken, dan is het van belang om de techniek ook vast te houden – ook als het zwaar wordt.’
Kracht en uithoudingsvermogen
Daarvoor heb je voldoende kracht nodig. ‘Je kunt technisch goed schaatsen, maar als je niet genoeg kracht kunt uitoefenen, dan ga je niet hard.’ En dan heb je ook genoeg uithoudingsvermogen nodig, en moet je je energie goed kunnen verdelen over een race.
De optimale race
Al die elementen komen samen op de 1500 meter, een afstand waarop Elferink-Gemser samen met promovendus Inge Stoter uitgebreid onderzoek naar deed. Ga je op de 1500 te hard weg, dan moet je dat vaak in de laatste ronde bekopen. Start je niet snel genoeg, dan haal je die verloren tijd niet meer in. Hoe verdeel je je energie optimaal en win je de 1500 meter?
Voorlaatste ronde beslissend
Elferink-Gemser: ‘Uit ons onderzoek blijkt dat een heel snelle start geen garantie is voor winst. Het gaat juist om de voorlaatste ronde: degene die het hardst rijdt, wint vaak ook de wedstrijd. Dat betekent dat je je race op die manier moet opbouwen. En wat bijzonder is: schaatsers die uiteindelijk de top bereiken, zijn daartoe in staat. Snelle schaatsers die moeite hebben met het verdelen van hun energie, krijgen dat vaak niet goed onder de knie en blijven uiteindelijk langzamer.’
Helder doel voor ogen
Maar goede timing, techniek en schaatsinzicht ten spijt: om de top te bereiken is nóg meer nodig. De echte talenten herken je aan hun gedrag en hun mentaliteit, weet Elferink-Gemser. ‘De jongeren die verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen ontwikkeling, zijn degenen die hun potentie waarmaken. Ze kennen hun sterke en minder sterke kanten, weten wat ze moeten doen om beter te worden, hebben een duidelijk doel voor ogen en organiseren hun omgeving zo dat ze de hulp krijgen die ze nodig hebben. En, heel belangrijk: ze nemen zelf daarin het voortouw.’
Actief meedenken over training
Ze denken ook actief mee over hun training. ‘Ze zeggen tegen hun coach wat ze wel of niet willen doen. Ze staan open voor advies, maar alleen als ze overtuigd zijn dat het hen echt verder helpt. Ze proberen ook dingen uit, maar als ze denken: dit helpt mij niet, dan doen ze dat niet.’
Tijd om te kunnen groeien
Talenten hebben tijd nodig om te groeien, want lang niet alle toppers waren tijdens hun jeugd altijd de beste. ‘Bij sommige talenten kun je al heel vroeg zien dat ze de top kunnen halen. Maar bij anderen ontwikkelt zich dat geleidelijk. Op je veertiende de beste zijn, betekent niet per se dat je later topsporter wordt.’
Bochten, drukverdeling en een goede ploegenachtervolging
Heeft de schaatssport na bijna twintig jaar onderzoek nog geheimen die Elferink-Gemser wil ontrafelen? ‘De bochten! Die blijven toch een beetje een mysterie, want ze zijn moeilijk om te onderzoeken. Maar ik wil heel graag meer weten over de techniek van een goede bocht, en hoe schaatsers als Jordan Stoltz en Jenning de Boo met meer dan 60 km/u door een bocht kunnen gaan.’ Daarnaast doet promovendus en voormalig topschaatser Floor van den Brand onderzoek naar luchtweerstand bij de ploegenachtervolging en de teamsprint, een immer complex onderwerp in een voornamelijk individuele sport.