Waarom worden er nog steeds proefdieren gebruikt?

muis in de hand van een onderzoeker

“We gebruiken proefdieren om onderzoek te doen naar het ontstaan en behandelen van ziekten”, vertelt Klatter. Een deel van het onderzoek gebeurt bij patiënten, met patiëntenmateriaal of met statusonderzoek, waarbij gegevens uit het medisch dossier worden gebruikt. Maar soms is de stap naar proefdieren nodig.

“Als je iets in de kliniek wilt breng​​en, is het vaak vereist dat er proefdierexperimenteel onderzoek aan voorafgegaan is. Anders mag het niet bij patiënten onderzocht worden”, legt Klatter uit. “Bij nieuwe medicijnen moet je eerst weten of ze wel werken, of ze veilig zijn en wat de eventuele bijwerkingen zijn.”

Pas als bekend is dat middelen veilig zijn, kunnen ze ook op mensen worden getest. “Daarom vinden we in het UMCG nog altijd onderzoek met proefdieren. Bij elk onderzoek denken we natuurlijk goed na over of het echt nodig is.” 

“​Als ik naar de horizon kijk, dan denk ik dat er een moment komt waarop we geen, of bijna geen, ​proefdieren meer nodig hebben.” 

In de CDP zijn ongeveer 13.000 proefdieren gehuisvest. Hiervan is bijna 95 procent muis. Verder zijn er ratten, cavia’s en hamsters. Grote proefdieren, zoals varkens, zijn er niet meer in het CDP.

 Wel zijn er dieren die niet in de CDP gehuisvest zijn, maar wel voor onderzoek wordt gebruikt: fruitvliegen en wormen. “Deze dieren worden wettelijk niet als proefdier gezien en mogen daarom in het lab van de onderzoeker blijven”, legt Klatter uit.

​​​De hor​izon

Hoe de toekomst van proefdieren eruit ziet, daar zijn de meningen over verdeeld. Klatter denkt dat de komende jaren nog meer gebruik van proefmuizen wordt gemaakt. “Onderzoek met muizen biedt steeds meer mogelijkheden. Zoals met transgene muizen, waarvan het genetisch materiaal veranderd of aangepast wordt voor specifieke onderzoeken. Maar als ik naar de horizon kijk, dan denk ik dat er een moment komt waarop we geen, of bijna geen, proefdieren meer nodig hebben.” 

​​​Klatter baseert dat op de ontwikkelingen die hij de afgelopen jaren heeft gezien. Zo zijn er tegenwoordig steeds meer alternatieven, zoals patiëntenmateriaal of celkweken, waardoor minder proefdieren nodig zijn. En vermindering is een van de punten waar veel aandacht aan wordt besteed binnen het dieronderzoek. Onderzoekers moeten zich namelijk bezig houden met het 3V-beleid: vervanging, vermindering en verfijning. Op die manier worden zoveel mogelijk alternatieven gebruikt en zijn er minder proefdieren nodig.

​MRI voor muizen

Zo kan één proefdier tegenwoordig veel meer onderzoeksresultaten opleveren. “Dit is bijvoorbeeld het geval bij tumoronderzoek”, vertelt Klatter. “Muizen krijgen dan tumorcellen ingespoten en de tumorgroei wordt een tijdlang bijgehouden. Vroeger was voor elk tijdstip een andere muis nodig. Tegenwoordig hebben we een MRI voor muizen in de CDP en kan een muis het hele traject worden gevolgd.” 

Verfijning wordt bereikt door de dieren zo goed mogelijk te behandelen. Niet alleen door goede verzorging, pijnstillers en kooitjes met speelgoed. Maar ook door na te denken of de proef het wel waard is om proefdieren voor te gebruik​en. “We kijken of datgene wat je met het proefdier doet, het ongerief, opweegt tegen het belang van het onderzoek.”

​Niet in één grote ruimte

“Toen we in 2009 verhuisden naar het nieuwe CDP gebouw, wilde ik dat graag aan Nederland laten zien. Op dat moment traden we nog niet naar buiten met wat we in het proefdierencentrum deden. Maar ik ben blij dat we die stap toen hebben genomen”, vertelt Klatter.  “We draaien er niet omheen: hier worden proefdieren gebruikt.” 

Iedereen die daar mee over wil weten kan zich aanmelden voor een rondleiding. “Mensen die hier een rondleiding krijgen zijn altijd wel verrast door wat ze hier zien. Mensen denken soms dat alle muizen in één grote ruimte los lopen en een onderzoeker er gewoon een muis uithaalt als dat nodig is. Dat is uiteraard niet zo en bij de rondleiding zien ze dan de geavanceerde kooien”, vertelt Klatter. 

“Iemand die van de stichting Proefdiervrij komt, zal zijn mening natuurlijk niet veranderen na een rondleiding. Maar er wordt wel vaak gezegd dat we het goed voor elkaar hebben. Als het dan toch moet, dan moet het maar op de manier zoals jullie het doen, zeggen ze dan.”

​En dat er ook tegenstanders zijn, is alleen maar goed, vindt Klatter. “In alle zaken is he​t goed dat er gediscussieerd wordt, dus ook over proefdieronderzoek. Maar dat moet wel met wederzijds respect gebeuren”, vindt Klatter.

Daarbij zijn er natuurlijk verschillende meningen, de een genuanceerd, de ander heftig. “Maar die moeten allemaal serieus genomen worden. Die meningen hebben er ook voor gezorgd dat er kritische geluiden over proefdieronderzoek zijn en dat de mensen die dierexperimenteel onderzoek uitvoeren zich altijd bewust zijn van wat ze doen.” ​​