Patiënten doen na niertransplantatie actiever mee in maatschappij

Na een niertransplantatie nemen patiënten actiever deel aan het maatschappelijk leven dan voor de transplantatie. Maar hun maatschappelijke deelname blijft wel achter bij mensen zonder nierfalen. Slechts de helft van hen heeft een baan en ongeveer een kwart doet aan sport.

Dat blijkt uit onderzoek van Sijrike van der Mei van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Zij promoveert op 31 januari aan de Rijksuniversiteit Groningen. 

In Nederland vinden jaarlijks ongeveer 650 niertransplantaties plaats. In vergelijking met de dialysebehandeling leidt niertransplantatie tot een betere kwaliteit van leven. Van der Mei onderzocht als eerste in hoeverre patiënten na een niertransplantatie weer aan het maatschappelijk leven deelnemen.

Maatschappelijke participatie

Van der Mei interviewde 239 patiënten die een niertransplantatie hadden ondergaan. Zij onderzocht of zij werkten, een opleiding volgden of huishoudelijk werk deden. Ook ging zij na of deze patiënten actief waren in vrijwilligerswerk, hobby’s, sport of sociale contacten. Uit het onderzoek blijkt dat nierpatiënten in vergelijking met de periode voor de transplantatie, meer meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Toch blijft hun participatie achter bij mensen zonder nierfalen. Slechts de helft van de onderzochte groep is betaald aan het werk; relatief vaak parttime en vaak in combinatie met een aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering. De patiënten zijn wel actief in diverse vrijetijdsbestedingen zoals vrijwilligerswerk, mantelzorg, hobby’s en sociale contacten. Ze hebben echter een weinig actieve leefstijl, ongeveer een kwart van hen doet aan sport.

Factoren

Uit het onderzoek van Van der Mei blijkt tevens dat de mate waarin patiënten participeren, vooral bepaald wordt door factoren die met de transplantatie samenhangen. Patiënten die een nier hebben ontvangen van een levende donor, nemen meer deel aan de maatschappij. Dat geldt ook voor patiënten die minder last hebben van bijwerkingen van de medicijnen die afstoting moeten voorkomen. Het hebben van andere gezondheidsproblemen zoals hart- en vaatziektes, heeft een negatieve invloed op hun maatschappelijke deelname. Het effect van psychologische kenmerken is ondergeschikt aan deze ziektefactoren. Van der Mei concludeert dat mensen die een niertransplantatie hebben ondergaan, zich in een achterstandspositie in onze maatschappij bevinden. Het ontvangen van een nieuwe nier betekent niet dat ook de gezondheid en het dagelijkse leven als nieuw zijn. Zij kunnen niet zonder meer het leven van voor de nierziekte hervatten.

Curriculum Vitae

Drs. S.F. van der Mei (Drachten, 1965) studeerde Gezondheidswetenschappen in Maastricht. Zij deed haar onderzoek bij het Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken en de afdeling Nefrologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Van der Mei promoveert tot doctor in de Medische Wetenschappen bij prof. dr. W.J.A. van den Heuvel, prof. dr. J.W. Groothoff en prof. dr. P.E. de Jong. Het onderzoek is gefinancierd door de Nierstichting Nederland en werd uitgevoerd in samenwerking met het Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap (iRv) te Hoensbroek. De titel van haar proefschrift is: ‘Social participation after kidney transplantation’.