Passend werk voor iedereen

Hoogleraar Sociale Geneeskunde Sandra Brouwer pleit voor passend werk voor iedereen; ook voor mensen voor wie dat, als gevolg van een chronische ziekte of een beperking, minder vanzelfsprekend is. Vandaag houdt ze haar oratie.​
Sandra Brouwer

Werk geeft structuur, sociale contacten, financiële zekerheid… Werken, kortom, is goed voor je – mits het werk je past. Is dat niet, of niet meer, het geval, dan kan werk ongezond worden.

“Dus”, zegt hoogleraar Sociale Geneeskunde Sandra Brouwer, “moeten we ervoor zorgen dat er voor iedereen passend werk is. Ook voor mensen voor wie dat, als gevolg van een chronische ziekte of een beperking, minder vanzelfsprekend is.” 

Haar onderzoek is actueler dan ooit, nu het begrip ‘participatiesamenleving’ steeds concreter vorm krijgt. De nieuwe Participatiewet, de verhoging van de AOW-leeftijd, de afschaffing van het vroegpensioen; al deze veranderingen hebben gevolgen voor grote groepen mensen die voorheen niet werden geacht om actief deel te nemen op de arbeidsmarkt. 

Minder taken, minder uren

​Belangrijk is, zegt Brouwer, dat kwetsbare groepen door alle veranderingen niet tussen wal en schip vallen. “Om iemand een reële kans te geven moet in de eerste plaats in kaart worden gebracht wat de mogelijkheden van een persoon zijn. Dit is niet gemakkelijk, want er spelen heel veel factoren een rol. Het gaat niet alleen om de gevolgen van ziekte, maar ook persoonlijke omstandigheden zoals mantelzorg of veranderingen in het gezin kunnen invloed hebben op wat je aan werk kan.”

​Werk moet daarom, als het niet passend is, passend gemaakt worden. “Bijvoorbeeld met minder taken, minder uren, een aangepaste werkplek; het hoeft niet altijd heel ingrijpend te zijn.” 

Onderdeel van de normale arbeidscultuur​

“Het hoeft maar een beetje anders te lopen in je gezondheid of je persoonlijke omstandigheden en je botst tegen de kaders van je functie aan.”

​Toch gebeurt dit in de praktijk nog maar weinig. Werkgevers denken nog te veel vanuit functies, vindt Brouwer. “Dat is geen probleem voor jonge, gezonde mensen. Maar het hoeft maar een beetje anders te lopen in je gezondheid of je persoonlijke omstandigheden en je botst tegen de kaders van je functie aan.”

Zo kunnen mensen met een baan aan het werk blijven, en is er ruimte voor mensen die geen baan hebben. “Bijvoorbeeld voor jongeren met een beperking. Nu worden er voor hen vaak nog speciale banen gecreëerd. Zij worden op deze manier onderdeel van de normale arbeidscultuur.”

En daarbij gaat het niet alleen om eenvoudig werk. “Er zijn veel meer mensen die niet werken omdat ze niet kunnen functioneren in de huidige arbeidsomgeving. Een jongere met autisme zit nu vaak thuis. Maar als je iemand een passende omgeving kunt bieden, kan hij uitstekend werk doen. Maar werkgevers moeten de kansen wel zien.” 

Steun van een leidinggevende​​​

Brouwer hoopt dat ze met haar onderzoek naar de mogelijkheden van mensen kan voorkomen dat ze afgeschreven worden. Belangrijk daarbij is dat mensen open zijn over hun mogelijkheden, zegt ze. “Als ze hun beperkingen bespreken, kunnen ze samen met hun werkgever naar structurele oplossingen zoeken en kunnen ze mogelijk hun werk blijven doen.”

“Als ik destijds die kans niet had gekregen, was ik geen hoogleraar geworden.”​

Dat steun van een leidinggevende onontbeerlijk is, weet Brouwer uit ervaring. Tijdens haar promotieonderzoek, jaren geleden, werd ze zelf ziek. Samen met haar begeleiders vond ze mogelijkheden om haar onderzoek af te maken. 

​Het was een bepalend moment in haar carrière, zegt ze. “Als ik destijds die kans niet had gekregen, was ik geen hoogleraar geworden.”

Kijk verder dan de ziekte

Bovendien geeft de ervaring haar een extra perspectief op haar eigen onderzoek, en op het onderwijs aan Groningse geneeskundestudenten. Kijk verder dan de ziekte, leert ze haar studenten. 

“Zie geen patiënt, zie de persoon. Iemand met een eigen omgeving: die werkt, een gezin heeft, zorgt voor een zieke moeder. Dan kun je in de behandeling ook de gevolgen van een ziekte voor het functioneren in het dagelijks leven meerekenen. Wat kan iemand nog wel, en wat niet? Ik zie graag dat een patiënt samen met de arts ook participatiedoelstellingen opstelt.”