KWF Kankerbestrijding honoreert nieuwe oncologische onderzoeksprojecten

KWF Kankerbestrijding is het nieuwe jaar begonnen met de honorering van nieuwe oncologische onderzoeksprojecten, waaronder drie UMCG-onderzoeken.

Marcel van Vugt van de afdeling Medische Oncologie leidt een consortium dat €1.422.266,30 krijgt om te onderzoeken welke genetische afwijkingen bepalen of tumoren gevoelig of resistent zijn voor behandeling met een WEE1-remmer.
WEE1 is een eiwit dat ervoor zorgt dat cellen zich op een gecontroleerde manier kunnen delen. Voor tumorcellen is dit eiwit essentieel, omdat tumorcellen zich ongeremd delen. Om te voorkomen dat het een ongeordende chaos wordt, zijn ze erg afhankelijk van eiwitten die daar een beetje controle in aanbrengen, zoals WEE1.
Recent is een medicijn ontwikkeld dat Wee1 remt, maar het is nog niet duidelijk waarom dit medicijn bij sommige patiënten wel, en bij andere niet werkt. Van Vugt en de consortium partners gaan onderzoeken hoe Wee1 gereguleerd wordt, en welke genmutaties ervoor zorgen dat tumorcellen wel of niet gevoelig zijn voor Wee1-remming. “Als we begrijpen waarom sommige tumoren wel of niet gevoelig zijn voor Wee1 remmer, zal dat een betere patiëntselectie mogelijk maken, niet alleen voor eierstokkanker, maar ook voor tumoren met vergelijkbare kenmerken, waaronder een bepaald type (triple-negative) borstkanker”, zegt Van Vugt.​
Vanuit het UMCG is ook Steven de Jong (Medische Oncologie) betrokken bij dit onderzoek. Het Nederlands Kanker Instituut en het UMC Utrecht zijn betrokken in dit consortium.

Peter van Luijk van de afdeling Radiotherapie leidt een onderzoek waarin hij wil aantonen dat radiotherapie voor long- en slokdarmkanker kan leiden tot een verhoogde bloeddruk in de long. Hij ontvangt hiervoor een bedrag van € 660.482,57.
Er zijn steeds meer aanwijzingen dat de noodzakelijke radiotherapie die patiënten met long- of slokdarmkanker krijgen, kan leiden tot beschadiging van bloedvaatjes in de long. Hierdoor loopt de bloeddruk in de longslagader en rechter harthelft op (pulmonale hypertensie). Dit is een aandoening die zonder behandeling tot het overlijden van de patiënt leidt. Het herkennen van pulmonale hypertensie vraagt om specifieke diagnostiek, die tot nu toe niet bij radiotherapie patiënten is gebruikt. Hierdoor is pulmonale hypertensie als bijwerking van radiotherapie in patiënten nooit aangetoond.​
In dit onderzoek wil Van Luijk aantonen dat pulmonale hypertensie voorkomt bij long- en slokdarmpatiënten die radiotherapie ontvangen en dat het risico hierop afhangt van stralingsdosis in de long. Hierna kan toepassing van nieuwe radiotherapie-technieken deze dosis verminderen en zo het risico op het ontstaan van pulmonale hypertensie verminderen. Patiënten die dan toch nog pulmonale hypertensie ontwikkelen, kunnen hier dan voor worden behandeld.
In de studie worden 320 long- en slokdarmkankerpatiënten gevraagd zich voor en na de bestralingsbehandeling met echocardiografie te laten onderzoeken op pulmonale hypertensie. Daarnaast wordt hen gevraagd mee te doen aan een uitgebreider onderzoek met MRI om meer inzicht te krijgen in de precieze ontwikkeling van de vaatschade in de longen en effecten op het hart.
In dit onderzoek werken de afdelingen radiotherapie, medische oncologie, cardiologie, radiologie en de coreLab faciliteit (gespecialiseerd in het verzorgen van echo’s in grote studies) van het UMCG met elkaar samen. De studie wordt samen met Radboud MC en het Beatson Cancer Center in Glasgow (UK) uitgevoerd.

Roel Steenbakkers van de afdeling Radiotherapie kreeg een subsidie van €468.922,- voor een onderzoek ‘Preventing Head and Neck Cancer Patients from developing permanent Radiation induced Xerostomia: The X-PREVENT Project’​